Huishoudelijke hulp uit de Wmo? Wat de onzekerheid betekent voor het CEO
Huishoudelijke hulp verdwijnt mogelijk uit de Wmo, maar veel is nog onzeker. Lees wat dit betekent voor gemeenten, de begroting en het CEO.
Wanneer verdwijnt de huishoudelijke hulp uit de Wmo? Het antwoord is niet zo eenduidig. Er lopen twee aparte maatregelen door elkaar, ze zijn allebei al een keer uitgesteld, en geen van beide heeft inmiddels een wetsvoorstel dat door het parlement is. Toch zijn ze allebei al verwerkt in de rijksbegroting en daarmee in het gemeentefonds, waardoor gemeenten er toch rekening mee moeten houden in het opstellen van hun begroting.
De eigen bijdrage wordt inkomensafhankelijk
Wmo-cliënten betalen nu een vast abonnementstarief van 21,80 euro per maand, ongeacht inkomen of hoeveel ondersteuning ze gebruiken. Het kabinet wil dat vervangen door een eigen bijdrage die meeweegt met inkomen en vermogen, net als in de Wlz. Deze maatregel stond gepland voor 1 januari 2027, maar is bij de Voorjaarsnota van 2026 opnieuw uitgesteld naar op zijn vroegst 1 januari 2028 (Binnenlands Bestuur). De parlementaire behandeling ligt daardoor voorlopig stil.
Voor gemeenten heeft dat uitstel meteen een financieel staartje, omdat de besparing van 225 miljoen euro die voor 2027 was ingeboekt nu komt te vervallen. Dat geld is nu overgeheveld vanuit de begroting van het ministerie van VWS naar het gemeentefonds, om het gat voor dat jaar te dichten (BMC). Kortom: de maatregel zelf is er nog niet, maar het financiële effect staat toch al in de meicirculaire.
Huishoudelijke hulp als losse voorziening verdwijnt
Los daarvan wil het kabinet dat huishoudelijke hulp niet langer als afzonderlijke Wmo-maatwerkvoorziening wordt aangeboden. Mensen die het zelf kunnen betalen, moeten dat vanaf 1 januari 2029 zelf gaan doen. Voor wie dat niet kan komt er een vangnet via de gemeente, waarvoor het Rijk vanaf 2029 jaarlijks ongeveer 430 miljoen euro beschikbaar stelt (Binnenlands Bestuur).
Ook hier is er nog geen concreet wetsvoorstel. Wat er wel al ligt, is een korting op het gemeentefonds van netto ongeveer 1 miljard euro vanaf 2029, tegenover een bruto besparing van 1,4 miljard euro (Rijksoverheid, meicirculaire gemeentefonds 2026). Voor een gemeente van 40.000 inwoners komt dat neer op een structurele bezuiniging van ruim 2 miljoen euro. Of gemeenten daar zelf nog een stelpost tegenover mogen zetten in de begroting, staat op het moment van schrijven nog niet vast.
Wachten op het wetsvoorstel is geen optie
Het kabinet heeft nog niet duidelijk gemaakt hoe de plannen in de praktijk zullen uitwerken en wat het gaat betekenen voor gemeenten en Wmo-cliënten. Toch staat de besparing al wel in de begroting. Gemeenten moeten zich nu dus gaan opmaken voor een grote bezuiniging vanaf 2029, zonder te weten of het wetsvoorstel er uiteindelijk daadwerkelijk doorheen komt.
Als gemeente kun je de meerjarenbegroting voor 2028 en verder niet nu opstellen zonder deze twee wijzigingen mee te nemen. Anders komt er misschien later een groot gat om te dichten. De VNG adviseerde gemeenten daarom al om te gaan werken met stelposten voor de Wmo en jeugdzorg vanwege alle onzekerheden (VNG).
Voor gemeenten is de opdracht dus vooral financieel anticiperen op de mogelijkheid dat de maatregel er toch doorheen komt, waarbij er ruimte gelaten moet worden voor de precieze uitvoeringsregels die nog vastgesteld moeten worden.
Wat dit betekent voor je cliëntervaringsonderzoek
Zodra het gemeentelijke vangnet voor huishoudelijke hulp concreter wordt, moet de doelgroep die hier gebruik van gaat maken in beeld worden gebracht. Het jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek Wmo is hierin precies het juiste instrument om inzicht te geven in hoeveel van de huidige gebruikers van huishoudelijke hulp een reëel risico lopen om tussen wal en schip te vallen. Daarbij geeft de data een concrete onderbouwing die een gemeente nodig heeft in het gesprek met de raad over de vangnetregeling.
Ook de eigen bijdrage raakt dit onderzoek direct op twee punten.
- Een stijgende eigen bijdrage kan tot zorgmijding leiden (mensen die afzien van ondersteuning omdat ze de kosten niet kunnen of willen betalen). Dat signaal is met een standaard cliëntervaringsonderzoek soms lastig te vangen, omdat het juist de mensen betreft die niet meer in de caseload zitten. Een gerichte vraag hierover, nu al opgenomen, geeft een gemeente een nulmeting voordat de wijziging ingaat.
- Een steigende eigen bijdrage kan leiden tot negatievere resultaten in het CEO. We zien in de praktijk dat veel Wmo-cliënten, ondanks dat zij misschien wel verbeterpunten zien, vooral erg dankbaar zijn voor de hulp die zij krijgen. Iemand die hier ineens zelf voor moet gaan betalen, zal daardoor kritischer zijn op wat hij daadwerkelijk krijgt. In de resultaten kan het vervolgens lijken alsof de hulp minder goed is geworden ten opzichte van een jaar waarin het wel gratis voor iedereen was. Een CEO dat hier proactief op ingaat heeft een goede uitleg voor dit verschil in resultaat.
Meet jouw gemeente de financiële zekerheid van de Wmo-cliënten al in het CEO? Zo niet, dan is nu het moment om hiermee te beginnen.
{{cta}}
Meer weten over efficiënt onderzoek doen?
Lees meer artikelen vol met tips, do’s and don’ts, nieuwe inzichten van gebruikers van Ervaringwijzer én nog een hele hoop andere informatie waardoor je bruikbare resultaten behaalt.
Veelgemaakte fouten bij het maken van een vragenlijst
Zo laat je MTO-resultaten meewegen in het jaarplan
De PDCA-cyclus in het sociaal domein: mooi model, lastige uitvoering


John Boes
Radar Advies